Geplaatst op

Dirigerend door de dagen – tussen stilte en klank

Hij staat rechtop, stevig op zijn benen en pakt zijn stok vast in de hand. Zijn schouders zijn ontspannen, armen naar beneden en het gezicht rust. Tegenover hem zitten zo’n 50 mensen, kijkend vol aandacht. Iedereen weet wat hij moet doen, ze wachten tot ze mogen beginnen. Of misschien is het al begonnen in de stilte die er nu klinkt. Langzaam komt zijn lichaam in beweging, verandert de uitdrukking op zijn gezicht en heft hij zijn armen omhoog. Daar zwaait zijn baton voor de eerste keer.


De mensen tegenover hem reageren en komen in beweging. De ruimte vult zich met klanken. Een samenspel komt tot stand, vol concentratie en met aandacht voor elkaar. Dit gaat minutenlang zo door, vol harmonie en disharmonie en interactie. Hij weet wanneer de klanken komen en wanneer er rust en stilte moet zijn. Met controle en finesse over alle bewegingen die zijn lichaam maakt, stuurt hij de groep aan. Dan zwaait hij zijn baton voor het laatst. Zijn lichaam ontspant langzaam en de laatste klanken ebben weg. Geleidelijk vloeit het geheel over in stilte. Een stilte waarin de klanken naklinken. Na een tijdje volgt er een daverend applaus voor deze dirigent en het orkest.


Zouden wij voor de klas niet veel meer de dirigent in ons zelf moeten vinden? Hoe zou het zijn als we vanuit subtiliteit met ons hele lichaam een groep aan kunnen sturen?


Zelf zie ik paralellen tussen de dirigent met het orkest en de leerkracht met de klas. Zoals een dirigent vanuit stilte via de beweging een groep laat meebewegen en floreren, zoekt de leerkracht vanuit de stilte de verbale weg. Via woorden en opdrachten vertelt de leerkracht de groep wat er gaat gebeuren. Aan spreken en beweging gaat een stilte vooraf. Zonder stilte is er geen klank en zonder klank bestaat er ook geen stilte. Het is als in zoveel dingen, zonder het een kan het ander niet bestaan. Het gaat om het vinden van de balans, waarin de stilte tot een instrument gemaakt kan worden.


Naast de afwisseling tussen stilte en klank is er ook een verschil tussen verbaal en non-verbaal communiceren. Zoals je ziet tussen bewegen en spreken. Tijdens het spreken is onze aandacht naar buiten gericht, via die weg ontvangen we informatie. Wanneer we non-verbaal communiceren ontwaakt de binnenwereld. Van binnen gaan we aan. We kijken en zoeken naar wat er gebeurt en wat de verwachting is. Dit is een innerlijk actief bewegen. Non-verbale communicatie kan bijdragen aan verstilling in de klas.


Stilte is in deze tijd vaak moeilijk te verdragen; we zijn er simpelweg niet meer aan gewend. De prikkels van buitenaf volgen elkaar in rap tempo op. De hele maatschappij dendert in vlot tempo door en de druk van wat er allemaal moet is groot. Het kunnen verstillen is daarom een uitdaging. We kunnen oefenen om tot rust te komen, om onszelf af te kunnen sluiten voor prikkels van buiten en onze gedachten tot rust te brengen. De behoefte hiertoe is groot, niet voor niets zijn mediteren en mindfulness populair bij veel mensen. Wanneer we samen zijn met anderen is er meestal veel communicatie, maar als er een stilte valt dan wordt deze snel als ongemakkelijk ervaren. En kunnen gedachten het van ons overnemen.


Laten we de stilte weer in haar kracht zetten. Laat onze kinderen oefenen om de stilte te leren verdragen. Breng de balans terug tussen stilte en klanken in de klas. Kies er bewust voor via woorden of beweging een opdracht te geven. Laat ons doen wat we zeggen en zeggen wat we doen. Maar bovenal laat het er toe doen wat we zeggen en anders liever zwijgen.


Pak allemaal je baton uit de kast, en neem de kinderen mee in de klanken en stilte van het muziekstuk dat je samen iedere dag maakt. Geniet aan het eind iedere keer opnieuw van de stilte die er van buiten klinkt en voel hoe je van binnen nog in beweging bent!


Voor meer informatie kun je contact opnemen met Annemarije van Putten op a.van.putten@bvs-schooladvies.nl en 06 – 53 81 04 10.

Geplaatst op

Praten over oorlog in de klas

Met hoofd, hart en handen

Als volwassenen willen we vaak niets liever dan kinderen zo lang mogelijk beschermen tegen het verdriet van de wereld. Zeker in de onderbouw willen we de kinderen laten zien dat de wereld goed en mooi is. Hierdoor kunnen we ervoor kiezen om het thema oorlog geen plek te geven in ons onderwijs. Toch weten we uit onderzoeken dat kinderen die de ruimte krijgen om zich uiteen te zetten met moeilijke thema’s vaak veerkrachtiger worden*. Kinderen krijgen dan namelijk de ruimte om op een gezonde manier om te gaan met gevoelens en vragen die er in ze opkomen. En leren zichzelf zo coping strategieën aan.

Er is geen standaardrecept voor praten over moeilijke thema’s en het is een uitdaging om het thema zo te bespreken dat alle kinderen in de klas zich er op een gezonde manier mee uiteen kunnen zetten. Bovendien is het een kunst om het thema zo te bespreken dat het aansluit bij de verschillende leeftijdsfases. De uitdaging hierin is om de wereld binnen te laten komen zodat kinderen zich uiteen kunnen zetten met het onderwerp zonder dat het ze onnodige gevoelens van angst of verdriet oplevert. Hoofd, hart en handen bieden verschillende invalshoeken om aan de slag te gaan met het thema oorlog.
 
Je kunt de wereld binnen laten via het hoofd
Alle feitenkennis hoort bij de weg van het hoofd. Door kinderen vragen te laten stellen kom je erachter wat er leeft. Door duidelijk en eerlijk te zijn en de oorlog in perspectief te plaatsen geef je kinderen houvast. Via diverse websites kun je lesbrieven vinden die leerkrachten kunnen helpen om de oorlog te bespreken in de klas. 

Je kunt de wereld binnen laten via het hart
Door op kunstzinnige en/of speelse wijze aan de slag te gaan met thema’s die samenhangen met oorlog krijgen kinderen de tijd en ruimte om hun gevoelens te ervaren en verwerken. Door verschillende kunstzinnige oefeningen te doen, zoals samen tekenen, gedichten te schrijven of samen te zingen, kunnen kinderen oefenen om te gaan met hun eigen gevoelens en elkaars verschillen. Ook verhalen horen bij de weg van het hart; via verhalen maak je als leerkracht op kunstzinnige wijze beelden van feitelijke gebeurtenissen om de kaalheid en scherpte betekenis te helpen geven. Hierbij kan je voor het thema oorlog denken aan verhalen over moed. 

Je kunt de wereld ook binnen laten via de handen
Kinderen graag willen helpen: iets positiefs doen geeft grip op de situatie en hoop. Vertel kinderen daarom verhalen over mensen die in actie kwamen om anderen te helpen. Voorbeelden hiervan zijn het meisje dat 1000 kraanvogels vouwde voor de slachtoffers van Hiroshima, Greta Tunberg die staakte voor een beter klimaat of de buurjongens die onder de naam Koekraine aan de hele buurt koekjes verkochten. Maar ook in sprookjes lees je regelmatig hoe iemand zich inzet om het lot van de ander te verzachten. Denk bijvoorbeeld aan Roodkapje die op weg is naar haar zieke grootmoeder met een mandje vol lekkers. Geef kinderen de ruimte om vanuit eigen initiatief en passend bij hun leeftijdsfase actie te voeren.

Praten over de oorlog doe je niet alleen. Het is fijn om steun te hebben aan je collega’s, ouders en (externe) ondersteuners en samen met hen te zoeken naar een passende vorm in de klas en in de school. Hoe je ook besluit om de wereld binnen te laten komen in de klas, verhalend, kunstzinnig, spelenderwijs of feitelijk; het is voor kinderen van groot belang dat ze een plek hebben waar ze vrij en veilig kunnen praten over de oorlog. Een plek waar ze kunnen rekenen op eerlijke antwoorden en hoopvolle verhalen. Als leerkracht kun je hierin voorleven, bevragen en samen zoeken naar een manier om de oorlog te begrijpen. Je bent op die manier een gids die met de kinderen op reis gaat en onderzoekt en vertaalt wat ze op weg tegenkomen. 
 
Voor meer informatie kun je contact opnemen met Jacoba Pylyser op j.pylsyer@bvs-schooladvies.nl en 030 – 281 96 56.

*W. Thomas Boyce (2019), The Orchid and the Dandelion. Uitgeverij Vintage