Gisteren was er een open ochtend bij ons op school.
Voor het eerst geen ochtend vol peuters met grote ogen en ouders die dromen van de eerste schooldag.
Maar een open ochtend met ouders van kinderen uit hogere klassen. Zij-instroom. Heel veel zij-instroom.
Verschillende scholen. Verschillende verhalen.
En toch… hetzelfde geluid.
De druk is te hoog.
Prestatiedruk.
De resultaten voor rekenen en taal moeten omhoog,
Het tempo van de dag, van de lessen, van de verwachtingen.
Efficiënte leertijd. Geen ruimte om te verslappen. Geen ruimte om te vertragen. Geen ruimte om werkelijk kind te zijn.
En wat er dan overblijft; de creatieve vakken, het maken, het bewegen, het verbeelden, verdwijnt steeds verder naar de randen. Bijzaak geworden. Iets voor als er tijd over is.
Gisteravond zit ik aan tafel bij een presentatie van het samenwerkingsverband.
Vorig schooljaar zaten 27 kinderen thuis, uitgevallen.
Dit schooljaar (en het is pas januari) al bijna het dubbele.
Een paar maanden geleden stond ik, op uitnodiging van een ander bestuur, een lezing te geven over sturen op een goed pedagogisch klimaat.
In beide bijeenkomsten hoor ik hetzelfde spanningsveld terug:
We bewegen richting inclusiever onderwijs, en tegelijkertijd lijken de extremen groter te worden. Complexere hulpvragen. Moeilijk hanteerbaar gedrag. Agressie van ouders. Meer uitval.
En dan zegt iemand terloops:
“Ach ja, wij hebben ook wel eens dreiging gehad van zwaar geweld, maar ach… misschien zijn we hier in deze regio niet zoveel gewend.”
Ik blijf erop hangen.
Is dit berusting?
Vermoeidheid?
Beroepsdeformatie?
Of is dit wat we inmiddels normaal zijn gaan vinden?
En waarom voelt het soms alsof ik de enige ben die zich hier niet bij neer wil leggen?
Zou er een verband zijn?
Wat vragen deze kinderen, onze kinderen, in deze tijd eigenlijk van ons?
We spreken vaak over een tijd van verandering.
Maar misschien leven we eerder in een verandering van tijdperk zoal Jan Rotmans dit omschrijft.
En misschien zijn dit de stuiptrekkingen van een systeem dat op zijn grenzen loopt?
De vraag is niet meer of het anders moet.
De vraag is of we het inmiddels erg genoeg vinden om écht anders te durven gaan doen.
Misschien zit de kern ook wel in ons taalgebruik?
We spreken over maatschappij; een woord dat al snel economisch wordt ingevuld: rendement, output, effectiviteit.
Wat als we het weer durven hebben over samenleving?
Wat als we opnieuw vertrouwen dat niet alles wat waardevol is, direct meetbaar hoeft te zijn?
Dat kinderen soms iets mogen leren om het later weer even te vergeten,
in het vertrouwen dat het ergens onderweg zijn werk doet.
Misschien hoeven kinderen niet steeds beter te presteren op korte termijn.
Misschien mogen ze zich weer ontwikkelen tot evenwichtige mensen.
In verbinding met zichzelf.
Met de ander.
Met de wereld.
En misschien, heel misschien, is dat precies waar goed leiderschap van vandaag begint:
misschien niet bij nóg een interventie,
maar bij het blijven stellen van deze vragen.
Hardop
En Samen.
Amanda van der Tuuk
*Naar de titel van mijn favoriete kinderboek.
Amanda van der Tuuk schreef aan de hand van onze opleiding schoolleider op een vrijeschool, deze column.
Wil je meer weten over de schoolleidersopleiding voor vrijeschoolonderwijs? Kom dan naar onze gratis voorlichtingsbijeenkomst. Hier vind je ook meer informatie en kun je je inschrijven voor de opleiding zelf.